Latest / Learn Dutch with Fexingo / Dutch Verbs - Lopen, Eten, Drinken
Transcript
- Lucas: Hallo en welkom bij Learn Dutch with Fexingo! I'm Lucas. Luna: En ik ben Luna. Klaar om weer wat Nederlands te leren? Yes! Lucas: Vandaag gaan we het hebben over werkwoorden — verbs. We gaan er drie leren. Luna: Ooh, ik vind werkwoorden altijd een beetje lastig. Maar met jouw hulp lukt het vast. Lucas: Absoluut. We nemen de tijd. Eerst: lopen. Lopen betekent 'to walk'. Luna: Lopen. Ik ken dit woord van de zinnen! 'Ik loop naar de winkel.' Toch? Lucas: Precies! 'Ik loop' betekent 'I walk'. Luister: Ik loop. Herhaal eens? Luna: Ik loop. Lucas: Perfect! Nu een stapje verder: 'Ik loop naar de deur.' Stel je voor: ik loop naar de deur. Luna: Ik loop naar de deur. Klinkt goed! En als ik loop, zeg ik dan 'Ik loop'? Lucas: Ja, precies. 'Ik loop' is voor alles wat je doet. Lopen is een regelmatig werkwoord. Luna: Oké, ik probeer het in een zinnetje: Ik loop naar het park. Lucas: Heel goed! Nu het tweede werkwoord: eten. Eten betekent 'to eat'. Luna: Eten. Dat lijkt op 'eating' in het Engels. Makkelijk! Lucas: Inderdaad. Luister: Ik eet. Dat is 'I eat'. Luna: Ik eet. Lucas: Mooi. En we kunnen er een object aan toevoegen: 'Ik eet een appel.' Een appel is 'an apple'. Luna: Ik eet een appel. Hmm, klinkt lekker. Lucas: Precies. Of: 'Ik eet brood.' Wat betekent dat denk je? Luna: I eat bread! Brood kennen we van eerdere afleveringen. Lucas: Gebruik 'ik eet' in een eigen zin? Luna: Ik eet een boterham. Boterham kennen we ook! Lucas: Geweldig! Het laatste werkwoord: drinken. Drinken betekent 'to drink'. Luna: Drinken. Ook weer makkelijk te onthouden. Lucas: Luister: Ik drink. Dat is 'I drink'. Luna: Ik drink. Lucas: Perfect. En bijvoorbeeld: 'Ik drink water.' Water kennen we. Luna: Ik drink water. Of: 'Ik drink koffie.' Want koffie leerden we bij het ontbijt! Lucas: Ja, precies. Lopen, eten, drinken. Laten we ze nog een keer oefenen. Luna: Lijkt me goed! Eerst lopen. Ik loop. Lucas: En eten? Luna: Ik eet een appel. Lucas: En drinken? Luna: Ik drink water. Lucas: Uitstekend! Zie je, het is niet moeilijk. Je kunt ook vragen stellen: 'Loop jij?' of 'Eet jij een appel?' Luna: Oh, dus met 'jij' verandert het werkwoord een beetje? Lucas: Ja, bij lopen wordt het 'jij loopt' of 'loop jij?' Maar vandaag houden we het bij 'ik'. Luna: Oké, ik oefen nog even: Ik loop, ik eet, ik drink. Lucas: En nu een klein gesprekje. Stel, ik vraag: 'Wat doe jij?' Dan kun je antwoorden met een van deze werkwoorden. Luna: Bijvoorbeeld: 'Ik loop.' Of 'Ik eet.' Of 'Ik drink.' Lucas: Precies. En als ik zeg 'Loop jij?', dan antwoord jij 'Ja, ik loop.' Luna: Zo simpel! Ik vind het leuk. Kunnen we nog een keer alle drie herhalen? Lucas: Natuurlijk. Lopen. Luna: Ik loop. Lucas: Eten. Luna: Ik eet een appel. Lucas: Drinken. Luna: Ik drink water. Lucas: Geweldig! Dit waren de werkwoorden voor vandaag. Oefen ze thuis: zet een stap en zeg 'Ik loop', neem een hap en zeg 'Ik eet', neem een slok en zeg 'Ik drink'. Luna: Dat ga ik doen! Bedankt Lucas. En luisteraars, oefen lekker mee. Lucas: Bedankt voor het luisteren naar Learn Dutch with Fexingo. Tot de volgende keer! Luna: Doei doei!