Latest / Kleuter Podcast / Frankrijk Special | Kleuterpodcast #26
Transcript
- 0:00Speaker 1: Bonjour, welkom bij een nieuwe kluisterpodcast.
- 0:04Speaker 2: Oh, bonjour, We gaan vandaag naar Frankrijk.
- 1:01Speaker 1: Hallo allemaal. Vandaag gaan we op vakantie naar Frankrijk. Ja,
- 1:05Speaker 2: en we hebben net even geoefend. Want Myrthe, hoe zeg
- 1:08Speaker 2: je Hallo in het Frans? Bonjour. Bonjour. Mocht jij ook
- 1:13Speaker 2: naar Frankrijk op vakantie gaan, dan kan je dat dus
- 1:15Speaker 2: zeggen tegen iedereen. Bonjour. En dan weten ze dat jij
- 1:19Speaker 2: hallo zegt. Ja. Ja, um dat is gelijk het eerste
- 1:23Speaker 2: woordje Frans.
- 1:24Speaker 2: Bonjour betekent hallo. En vandaag gaan we dus met de
- 1:27Speaker 2: kleuterpodcast naar Frankrijk. um Myrthe, ben jij wel eens in
- 1:31Speaker 2: Frankrijk geweest?
- 1:33Speaker 1: Ja? Ja. En we gaan dit jaar weer naar Frank-
- 1:36Speaker 2: Frankrijk. Ja, we gaan weer naar Frankrijk op vakantie. Want
- 1:39Speaker 2: wij vinden Frankrijk een heel leuk land om daar op
- 1:41Speaker 2: vakantie te gaan. En daar is het altijd
- 1:43Speaker 1: heel erg lekker warm.
- 1:45Speaker 2: Ja, vaak is het wel lekker warm daar in de zomer, hè? Ja.
- 1:48Speaker 2: En soms zelfs bijna te warm. Ja. Maar wat is
- 1:50Speaker 2: het voordeel als het warm is?
- 1:53Speaker 2: Dat moet je goed insmeren. Dat moet je goed insmeren.
- 1:55Speaker 2: En wat kan je dan doen als het als het
- 1:57Speaker 2: lekker weer is? Zwemmen. Lekker zwemmen en lekker ijsjes eten. Ja. Ja.
- 2:02Speaker 2: Dus ik vind het hartstikke gezellig om naar Frankrijk te gaan.
- 2:05Speaker 2: En vandaag gaan we dus met de kleuterpodcast naar Frankrijk.
- 2:08Speaker 2: En we gaan ook leren tellen in het Frans.
- 2:12Speaker 2: Ik weet
- 2:13Speaker 1: al. Ik kan dat tot 3 te tellen in het Frans.
- 2:17Speaker 2: En vandaag gaan we je leren om zelfs tot 10
- 2:19Speaker 2: te tellen in het Frans. Hahaha! Hoh. Maar eerst gaan
- 2:23Speaker 2: we eventjes kijken wat er allemaal in Frankrijk te doen is.
- 2:27Speaker 2: Want elk land heeft een hoofdstad. Weet je wat een
- 2:30Speaker 2: hoofdstad is, Myrthe? Ja. Wat is dat dan?
- 2:33Speaker 2: Ik weet niet hoe het kan. Een hoofdstad is eigenlijk
- 2:37Speaker 2: de grootste. Meestal is het de grootste stad. En het
- 2:39Speaker 2: is vaak de belangrijkste stad van een land. En weet je,
- 2:43Speaker 2: weet je wat. Ja, dat is omdat daar alle politiek
- 2:46Speaker 2: zit vaak. En vaak zitten daar heel veel grote bedrijven.
- 2:50Speaker 2: Dus het is eigenlijk de belangrijkste stad van een land.
- 2:53Speaker 2: En weet je wat de hoofdstad is van Frankrijk? Nee.
- 2:57Speaker 2: Je bent er ook wel eens geweest. Het heet Parijs.
- 3:01Speaker 2: Ja. In Parijs. En weet je nog uh. Want ja,
- 3:05Speaker 2: ik zei het al. Je bent er ook al een
- 3:06Speaker 2: keer geweest met ons. Maar ik moet zeggen, toen was
- 3:08Speaker 2: je wel echt een stuk kleiner. Volgens mij was je
- 3:10Speaker 2: nog 2. Of misschien was je was je al 3. Ja.
- 3:15Speaker 2: Maar weet jij nog wat er te zien is in Parijs? Nee.
- 3:20Speaker 2: De Eiffeltoren is er te zien. Weet je hoe de
- 3:23Speaker 2: Eiffeltoren eruitziet?
- 3:25Speaker 2: Dat weet ik niet. Ja, het is een beetje moeilijk
- 3:27Speaker 2: om te omschrijven. Maar de Eiffeltoren is een groot soort
- 3:30Speaker 2: heel hoge toren in een in een soort driehoek. En
- 3:34Speaker 2: daar kan je helemaal naar boven toe. Maar die zie
- 3:36Speaker 2: je overal vandaan. En weet je wat er ook te
- 3:39Speaker 2: doen is in Parijs? Nee. Daar zit ook het huis
- 3:41Speaker 2: van Mickey Mouse.
- 3:44Speaker 2: Weet je hoe dat heet? Disney. Disneyland. Disneyland zit ook
- 3:47Speaker 2: in Parijs. Disneyland
- 3:48Speaker 1: Parijs. Ja,
- 3:49Speaker 2: dus die zit ook in Parijs. Daar waren we geweest.
- 3:53Speaker 2: Daar zijn we ook een keer geweest. Inderdaad.
- 3:55Speaker 1: We wonen heel dicht bij Parijs.
- 3:58Speaker 2: Ja, we wonen niet heel dicht bij Parijs, maar het
- 4:00Speaker 2: is
- 4:00Speaker 2: niet heel ver rijden. Want sommige dingen zijn echt heel
- 4:04Speaker 2: ver rijden. En dit is Parijs is ongeveer vanaf Nederland
- 4:07Speaker 2: 5 uurtjes rijden. Het ligt er een beetje aan waar
- 4:09Speaker 2: je in Nederland woont. Maar als we eventjes van Utrecht
- 4:12Speaker 2: een beetje uitgaan, dat is het midden van Nederland ongeveer,
- 4:16Speaker 2: dan is het ongeveer 5 uur rijden. En naar Zuid-Frankrijk,
- 4:20Speaker 2: dus dat is helemaal uh bij de zee, heel ver
- 4:25Speaker 2: bijna naar Spanje toe.
- 4:27Speaker 2: Dat is misschien wel 15 uur rijden. Dus dat is
- 4:31Speaker 2: echt heel ver rijden. Of
- 4:32Speaker 1: 20.
- 4:34Speaker 2: Ja, het ligt eraan hoe je rijdt.
- 4:36Speaker 2: Ja, we hebben het natuurlijk over Frankrijk. Maar wat is
- 4:39Speaker 2: nou typisch Frans eten? Weet jij dat, Myrthe? Croissantjes. Ja,
- 4:44Speaker 2: dat weet jij goed. Inderdaad. In Frankrijk eten ze heel
- 4:47Speaker 2: veel croissantjes. De cro croissant is ook een Frans woord. Dus. Ja.
- 4:51Speaker 1: Ja, ei- eigenlijk bijna hetzelfde als Nederland.
- 4:55Speaker 2: Ja, het is een Frans woord. En in Nederland gebruiken
- 4:57Speaker 2: we dat ook. Een croissant. En weet je dan ook
- 5:00Speaker 2: wat een baguette is? Dat eten ze namelijk ook veel
- 5:03Speaker 2: in Frankrijk.
- 5:04Speaker 2: Nee, een baguette is een stokbrood. En stokbrood en croissants.
- 5:10Speaker 2: Dat zijn nou typische Franse dingen. En zal ik nog
- 5:13Speaker 2: iets Frans vertellen? Ja. Wat ik zeker weet dat jij
- 5:16Speaker 2: ook lekker vindt. Een croque monsieur.
- 5:19Speaker 2: Wat is dat? Ja, ik denk dat jij maar in
- 5:21Speaker 2: een restaurant een croque monsieur moet bestellen. Wat is dat?
- 5:25Speaker 2: Het is een tosti. Hou jij van een tosti? Ja. Ja. Nou,
- 5:30Speaker 2: dat dacht ik ook al. En Myrthe, Weet je wat
- 5:33Speaker 2: ze ook nog hebben in Frankrijk voor eten? Fromage. Fromage? Ja.
- 5:38Speaker 2: Weet je wat fromage is? Nee. Dat is echt typisch Frans.
- 5:41Speaker 2: Fromage betekent namelijk kaas.
- 5:44Speaker 1: Is kaas echt
- 5:45Speaker 2: typisch van? Nee, maar in Frankrijk zijn ze wel helemaal
- 5:49Speaker 2: gek op kaas. En dan hebben ze allemaal allemaal heerlijke kazen.
- 5:53Speaker 2: Dus dan hebben ze bijvoorbeeld brie. Brie is echte Franse kaas.
- 5:56Speaker 2: Die ken je wel. Ja. Maar ze hebben ook allemaal
- 5:58Speaker 2: andere kazen. En sommige kazen, die stinken een beetje. Franse schimmelkaas.
- 6:04Speaker 2: En die stinken een beetje, maar die zijn zo lekker.
- 6:07Speaker 2: Moet
- 6:07Speaker 1: je je neus dan dichtknijpen?
- 6:10Speaker 2: Nou, bij sommigen moet je je neus wel bijna dichtknijpen, ja.
- 6:13Speaker 2: Die stinken wel heel erg, maar zijn wel heel lekker.
- 6:17Speaker 2: Dus uh dus nou, we weten al van Frankrijk nu
- 6:19Speaker 2: dat ze de Eiffeltoren hebben, dat Disney ook in Frankrijk zit.
- 6:23Speaker 2: We hebben croissants, een stokbrood, een croque monsieur, een tosti.
- 6:27Speaker 2: Dan is het denk ik nu maar tijd om te
- 6:29Speaker 2: gaan tellen in het Frans. Ja.
- 6:31Speaker 1: Ik tel tot 3 en jij telt
- 6:33Speaker 2: verder. O, jij kan al tot 3 tellen. Nou ben
- 6:36Speaker 2: ik heel benieuwd. Nou, tel maar. Undostres. Dat is Spaans.
- 6:39Speaker 2: O ja. Ja, dat geeft helemaal niets. Maar voor Undostres
- 6:42Speaker 2: moet je naar de aflevering over Spanje. Dit is de
- 6:45Speaker 2: aflevering over Frankrijk. Zal ik beginnen? Aha.
- 6:50Speaker 1: A a de.
- 6:52Speaker 2: Heel goed. Ja, heel goed. Heel knap dat je dat weet. Inderdaad.
- 6:57Speaker 2: uh Dan zullen dan zullen we eventjes van een doen.
- 6:59Speaker 2: 1 is A en twee is de.
- 7:04Speaker 2: en drie is T. T. Heel goed.
- 7:09Speaker 2: En 4 is
- 7:12Speaker 2: quatre.
- 7:15Speaker 2: en 5 is.
- 7:17Speaker 2: S. S.
- 7:21Speaker 2: En 6 is Sies. Sies.
- 7:24Speaker 2: En 7 is set. Set. 8 is wiet. Wiet. En
- 7:31Speaker 2: 9 is nuf. Ne. En 10 is dies. Dies. Oké, nou,
- 7:37Speaker 2: als je zit te luisteren, doen we hem nog een
- 7:39Speaker 2: keertje en dan kunnen we samen meedoen. Dus doe gezellig mee. 1.
- 7:44Speaker 2: A 2 is.
- 7:49Speaker 2: 3 is 2.
- 7:53Speaker 2: 4 is Catre
- 7:56Speaker 2: 5 is. S. S. S.
- 8:01Speaker 2: 6 is. Sies. Sies.
- 8:06Speaker 2: zeevis Z. Z.
- 8:11Speaker 2: 8 is wheat. W.
- 8:15Speaker 2: En 9 is
- 8:17Speaker 2: Ne. Ne.
- 8:21Speaker 2: En 10 is Dies. Dies.
- 8:24Speaker 2: Maar ik denk dat de belangrijkste voor kleuters zijn
- 8:29Speaker 2: De 4, de 5 en de 6. Want ik denk
- 8:32Speaker 2: dat de meeste kindjes 4, 5 of 6 zijn die
- 8:34Speaker 2: zitten te luisteren. Ja. Weet je nog wat 4 is?
- 8:38Speaker 1: Keren. Keren.
- 8:40Speaker 2: Keren. Heel goed.
- 8:42Speaker 1: Omdat jij het voor ging verklappen.
- 8:44Speaker 2: En 5 is.
- 8:47Speaker 2: S. S. S.
- 8:51Speaker 2: En 6 is Sies. Sies. Sies, heel goed. En Myrthe,
- 8:57Speaker 2: hoe oud ben jij? Katere? Heel goed. Ja. Jawel, katere.
- 9:02Speaker 2: En dan zeg je quatre ans. Quatre en. Ja, want
- 9:06Speaker 2: zo zeg je jaar, quatre en. En is jaar. We
- 9:10Speaker 2: hebben nu geteld in het Frans. Ja. Maar ik heb
- 9:13Speaker 2: ook nog wel, denk ik, een paar andere woordjes die
- 9:16Speaker 2: leuk zijn om te weten als je naar Frankrijk op
- 9:18Speaker 2: vakantie gaat.
- 9:19Speaker 2: Want wat wil je graag bestellen als je in Frankrijk bent? IJsje.
- 9:24Speaker 2: Een ijsje. En weet je hoe een ijsje heet in
- 9:26Speaker 2: het Frans? Nee. U glace. Een glace? Ja, een glace.
- 9:31Speaker 2: Dus als jij in Frankrijk een ijsje wil, dan zeg
- 9:33Speaker 2: je une glace. En dan zeg je natuurlijk alsjeblieft erbij.
- 9:36Speaker 2: En dat is S. V. S. Ja, heel goed. Nou,
- 9:42Speaker 2: jij komt straks echt als een echte Franceuse kom jij
- 9:46Speaker 2: uit Frankrijk terug. En wil jij nog iets anders ook
- 9:50Speaker 2: in Frankrijk misschien bestellen? Croissant. O, nou, die ken je. Snoepjes. Snoepjes.
- 9:56Speaker 2: Weet je wat snoepjes zijn in het Frans? Nee. Bonbon. Bonbon. Ja, bonbon.
- 10:02Speaker 2: Net als in Nederland heb je die chocolaatjes, die eten
- 10:04Speaker 2: ook bonbons. Maar in Frankrijk is een bonbon, is gewoon
- 10:07Speaker 2: een snoepje.
- 10:10Speaker 1: kan ook een pannenkoek
- 10:11Speaker 2: bestellen. Een pannenkoek bestellen. Nou, dat komt goed uit. Want
- 10:14Speaker 2: weet je dat ze in Frankrijk ook hele goede pannenkoeken
- 10:17Speaker 2: kunnen maken? Nee. In Frankrijk maken ze heerlijke dunne pannenkoeken.
- 10:21Speaker 2: En weet je hoe ze die noemen? Nee. Een crêpe.
- 10:24Speaker 2: Een
- 10:24Speaker 1: crêpe. Een crêpe. Ja. En je hebt ook crêpepapier.
- 10:28Speaker 2: Ja, je hebt ook crêpepapier. Maar dit is geen crêpepapier.
- 10:31Speaker 2: Maar het is wel bijna zo dun als crêpepapier. Het
- 10:34Speaker 2: zijn hele dunne pannenkoeken. Maar die zijn wel heel lekker.
- 10:38Speaker 2: Myrthe. Ik denk dat het tijd is voor een jeu.
- 10:43Speaker 2: Wat is dat? Ja, volgens mij jeu is is volgens
- 10:45Speaker 2: mij het Franse woord voor spel. Ik denk dat het
- 10:48Speaker 2: tijd is voor een spelletje. Ja. En weet je hoe
- 10:51Speaker 2: ze uh ja zeggen in het Frans? Nee. Ze zeggen wie.
- 10:57Speaker 2: W Wie betekent ja. En weet je hoe ze nee zeggen? Nee. No. No.
- 11:03Speaker 2: Dus wat is ja?
- 11:05Speaker 2: Oei. En wat is nee? No? OK,
- 11:08Speaker 1: no. No.
- 11:10Speaker 2: Ja, het lijkt een beetje op no, inderdaad. Ja. Dat
- 11:13Speaker 2: is Engels. Ja, alleen dan zeg je no. um Het
- 11:16Speaker 2: spelletje dat heet W o no. En jij moet dus
- 11:21Speaker 2: zeggen of het ja is of nee. Dus ik zeg
- 11:24Speaker 2: een zin en jij geeft het antwoord met wie of
- 11:28Speaker 2: met no. En als je zit te luisteren, kan je
- 11:30Speaker 2: natuurlijk gewoon gezellig meedoen. Ben je er klaar voor? Ja.
- 11:34Speaker 2: Nee, dan moet je niet ja zeggen. Moet je w zeggen. Myrthe,
- 11:37Speaker 2: ben je er klaar voor? Wee. In Frankrijk eten ze
- 11:41Speaker 2: graag stokbrood.
- 11:44Speaker 2: Oi.
- 11:46Speaker 2: In Frankrijk praten mensen Spaans.
- 11:50Speaker 2: No. No. Nee, in Frankrijk spreken ze natuurlijk Frans en
- 11:55Speaker 2: in Spanje spreken ze Spaans. Ja. De Eiffeltoren, Myrthe staat
- 12:01Speaker 2: in Frankrijk.
- 12:03Speaker 2: Heel goed. En in Frankrijk spreken ze Nederlands.
- 12:09Speaker 2: No. Franse kaas stinkt soms een beetje.
- 12:17Speaker 2: en Frankrijk ligt vlakbij de maan.
- 12:23Speaker 2: No, no. Nee, nee, dat kan niet, hè, want we
- 12:26Speaker 2: kunnen niet naar de maan toe. In Frankrijk zeggen ze
- 12:30Speaker 2: Bonjour als je iemand begroet.
- 12:34Speaker 2: En in Frankrijk lopen alle mensen achteruit.
- 12:40Speaker 2: No. No. Heel goed, Mie, jij bent helemaal geslaagd als
- 12:43Speaker 2: echte Franseuze voor de Wii of No quiz.
- 12:47Speaker 2: En dan zeg ik Merci beaucoup. Weet je wat dat betekent?
- 12:51Speaker 2: Uh nog. Merci beaucoup betekent dank je wel.
- 12:57Speaker 2: Nou, tot slot, Myrthe, wat vond jij ervan om naar
- 13:00Speaker 2: Frankrijk te gaan in de podcast? Leuk. En we gaan
- 13:03Speaker 2: in de zomervakantie zelf ook naar Frankrijk. Dus we hebben
- 13:05Speaker 2: daar ook zelf echt iets aan. Misschien ga jij ook
- 13:07Speaker 2: wel naar Frankrijk. Laat even weten als jij ook naar
- 13:10Speaker 2: Frankrijk gaan, vinden we superleuk om te weten. Wil je
- 13:12Speaker 2: meer landen horen? Check dan Spotify of Apple Podcast of
- 13:16Speaker 2: waar je de podcast ook luistert. Want daar hebben we
- 13:18Speaker 2: nog veel meer andere landen staan. Zoals bijvoorbeeld Spanje en Engeland. Ja,
- 13:23Speaker 2: die staan er bijvoorbeeld ook tussen en nog veel meer.
- 13:26Speaker 2: Nou, tot de volgende keer. Vergeet niet om je te
- 13:28Speaker 2: abonneren en in te smeren. Heel goed. Ja, we moeten
- 13:32Speaker 2: inderdaad wel. Als je op vakantie bent, moet je je
- 13:34Speaker 2: wel goed insmeren met zonnebrand.
- 13:35Speaker 1: Alleen als het
- 13:36Speaker 2: heel veel zon is. Myrthe. Merci Bou en au revoir. Oftewel,
- 13:41Speaker 2: dank je wel. En tot ziens.
- 13:44Speaker 2: Aurevoir.