Latest / Kleuter Podcast / Herfst | Kleuterpodcast #34
Transcript
- 0:00Speaker 1: Welkom bij je nieuwe kleuterpodcast.
- 0:04Speaker 2: Ja, Myrthe. Welkom bij je nieuwe kleuterpodcast. En leuk dat
- 0:07Speaker 2: je weer luistert. Waar gaan we het vandaag over hebben? Myrthe? Over.
- 1:04Speaker 2: Nou, welkom bij een nieuwe kleuterpodcast. Myrthe vandaag gaan we
- 1:07Speaker 2: het hebben over de herfst. Ja. Welke seizoenen ken jij
- 1:10Speaker 2: eigenlijk allemaal?
- 1:11Speaker 1: De winter en daarna komt lente.
- 1:17Speaker 2: Heel goed.
- 1:18Speaker 1: En dan is het maart.
- 1:20Speaker 2: En wat komt daarna?
- 1:22Speaker 1: En de zomer. En dan ben ik klager.
- 1:25Speaker 2: Ja, dat klopt. En de zomer is nu voorbij. En
- 1:28Speaker 2: nu is het Herfst. Het is officieel herfst. De herfst
- 1:31Speaker 2: is begonnen. Maar wat is eigenlijk de herfst? Dat er
- 1:35Speaker 1: allemaal blaadjes van de bomen afvallen. En dat er dat
- 1:39Speaker 1: je kastanjes kan zien, dennenappels. En daar kan je allemaal
- 1:43Speaker 1: mee knutselen. Ja. Bijvoorbeeld een egel.
- 1:46Speaker 2: Ja, inderdaad. En. Hij kan
- 1:48Speaker 1: ook een egel dan bakken. Een egel bakken.
- 1:51Speaker 1: Ja. Dat heb ik een keer met mama
- 1:53Speaker 2: gedaan. Hoe ga je dan een egel bakken?
- 1:55Speaker 1: Van een eierkoek
- 1:57Speaker 2: Oh. Zo. Ja. Oh, wat grappig. Vind je dat nog? Nee.
- 2:01Speaker 2: Dat weet ik helemaal niet meer.
- 2:02Speaker 1: Vorig jaar met Ik denk op de bovenkant een hagelslag.
- 2:10Speaker 2: Wat voor weer is het meestal in de herfst?
- 2:13Speaker 1: Niet zo lekker. Lekker koud.
- 2:16Speaker 2: Het is wat kouder dan in de zomer, inderdaad, he. Ja.
- 2:18Speaker 1: Ik zei lekker
- 2:19Speaker 2: koud. Ja, ja, nou, dat zeg je eigenlijk wel goed.
- 2:22Speaker 2: Want in de herfst is het soms koud, is het
- 2:24Speaker 2: soms regenachtig. Maar soms heb je ook nog een
- 2:26Speaker 2: hele mooie dag. Ja, we hebben van de week hebben
- 2:29Speaker 2: we nog een hele mooie dag gehad. Hebben we heerlijk
- 2:31Speaker 2: buiten gespeeld en buiten gezeten. Ja. Dus het kan allemaal.
- 2:34Speaker 2: Maar de herfst is over het algemeen wat kouder en
- 2:36Speaker 2: wat natter. Ja. Lekker koud. Ja, en lekker in de
- 2:39Speaker 2: plassen stampen met je laarzen. Boem, boem boem boem boem.
- 2:43Speaker 2: Wat hebben wij van de week gedaan? Naar het bos.
- 2:46Speaker 2: Wij zijn inderdaad naar het bos geweest. En dat vind
- 2:49Speaker 2: ik in het herfst vind ik dat altijd het gezelligst eigenlijk. Ja,
- 2:53Speaker 1: want dan zie je allemaal leuke dingen op de grond
- 2:56Speaker 2: liggen. Ja, want wij gingen naar het bos. Misschien kan
- 2:58Speaker 2: je dat eens vertellen. Wat hebben we allemaal gezien in
- 3:00Speaker 2: het bos?
- 3:02Speaker 1: Heel veel blaadjes. 1000 miljard oneindblaadjes.
- 3:06Speaker 2: Ja. En dan kon je er doorheen lopen. En hoe
- 3:09Speaker 2: voelde dat dan als je daar doorheen liep?
- 3:10Speaker 1: Ah, Gewoon net zoals normaal.
- 3:14Speaker 2: Ja, maar ik vind het toch ook altijd. Het maakt
- 3:16Speaker 2: toch ook altijd een beetje een soort geluid. Als je
- 3:18Speaker 2: er doorheen loopt.
- 3:19Speaker 1: O ja, dan loop je er de blaadjes in. En
- 3:21Speaker 1: dan hoor je al dat
- 3:25Speaker 1: Dan komen de blaadjes met je mee. Omdat je dan
- 3:29Speaker 1: daar op staat. En dat hoor je dan.
- 3:31Speaker 2: Ja, een beetje een soort gekraak van de blaadjes. Ja.
- 3:34Speaker 2: En wat hebben we nog meer gezien in het bos?
- 3:36Speaker 2: En
- 3:37Speaker 1: kastanjes.
- 3:38Speaker 2: Ja. We hebben twee verschillende soorten kastanjes gezien, hè. We
- 3:42Speaker 2: hebben van die hele mooie gladde ronden gezien. Maar er
- 3:46Speaker 2: viel er ook eentje.
- 3:47Speaker 2: Toen zaten er twee mensen op een bankje. En in
- 3:50Speaker 2: één keer floes
- 3:52Speaker 1: viel die daar echt precies naast.
- 3:55Speaker 2: Hij viel precies naast de mensen die op het bankje zaten. Ja.
- 3:58Speaker 1: Gelukkig kon het meisje nog net wegtrekken.
- 4:02Speaker 2: Ja. En toen ben ik even gaan kijken. Want hoe
- 4:05Speaker 2: zag het eruit? Wat eruit viel?
- 4:08Speaker 1: Um. Nou, um.
- 4:09Speaker 1: omheen.
- 4:12Speaker 2: O, dat weet je heel goed dat het heet. Inderdaad.
- 4:14Speaker 2: Een bolster zat er omheen. Ja,
- 4:16Speaker 1: dat is niet zomaar een ding. Dat is een stekelig
- 4:20Speaker 1: ding dat de dieren niet opeten.
- 4:22Speaker 2: Ja, daar hebben we het inderdaad over gehad.
- 4:25Speaker 1: Want want want anders is het een beetje zonde. En
- 4:28Speaker 1: je kan sommige kandjes ook nog eens eten.
- 4:31Speaker 2: Ja, in dit geval, hè. Want we hadden dus de
- 4:33Speaker 2: ene kastanjes, die zie je heel vaak. Maar nou zaten
- 4:36Speaker 2: we vielen er inderdaad kastanjes uit de boom die je
- 4:39Speaker 2: ook zou kunnen eten. Ja. En daar hebben we het
- 4:41Speaker 2: over gehad inderdaad, dat dat in een bolster zat. Dus
- 4:44Speaker 2: dat heb je heel goed onthouden. en dat de vogeltjes
- 4:46Speaker 2: dat dan niet kunnen eten.
- 4:47Speaker 1: Nee, omdat dat is stekelig. En als we het dan
- 4:49Speaker 1: in de mond doen, dan steekt het.
- 4:52Speaker 2: Ja, dan prikt dat inderdaad. Ja, dan prikt dat heel erg. Nou,
- 4:55Speaker 2: fijn dat je toch nog wat geleerd hebt ook.
- 4:56Speaker 1: Ja, en dat voelt meestal niet zo fijn.
- 4:59Speaker 2: Nee.
- 4:59Speaker 2: Maar er lag nog meer op de grond. Want we
- 5:02Speaker 2: hebben we hebben nog veel meer dingen gevonden. Een eikel? Ja,
- 5:05Speaker 2: die hebben we ook gevonden. En daar waren er ook
- 5:07Speaker 2: heel veel van. En die hoorden we ook een beetje
- 5:09Speaker 2: uit de bomen vallen af en toe. Maar dat hebben
- 5:11Speaker 2: we niet echt goed gezien. Ja,
- 5:12Speaker 1: maar dat waren er 1000 miljoen. Ja,
- 5:15Speaker 2: dat waren er echt heel veel, hè?
- 5:16Speaker 1: Ja. Ja. Misschien zijn er blaadjes nog iets meer.
- 5:19Speaker 2: Ja, van de blaadjes waren er nog meer. Ja. Maar
- 5:21Speaker 2: we hebben nog iets gezien in het bos. En nou
- 5:24Speaker 2: moet ik zeggen, hoe meer het herfst wordt, hoe meer
- 5:27Speaker 2: je ze gaat zien.
- 5:28Speaker 2: En wij waren natuurlijk een beetje aan het begin van
- 5:30Speaker 2: de herfst. Dus we hebben niet heel veel gezien. Nee.
- 5:34Speaker 2: Maar we hebben er denk ik 3 gezien.
- 5:35Speaker 1: Ik denk wel wat meer. Van wat dan? Paddenstoelen. Ja,
- 5:39Speaker 1: heel goed. Ik denk wel wat meer,
- 5:40Speaker 2: hoor. Ja, Hoeveel denk je dat we er hebben gezien?
- 5:43Speaker 2: 6 of 7. Oké. Ja, ze zaten ook een beetje
- 5:45Speaker 2: bij elkaar, sommigen, hè? Ja. Ja,
- 5:47Speaker 1: Maar. Daarom denk
- 5:48Speaker 1: ik dat we er meer hebben gezien. Ja. Allemaal groepjes
- 5:52Speaker 1: van
- 5:52Speaker 2: drie. En wat voor paddenstoelen hebben wij gezien? Van die eetbare. Nee,
- 5:58Speaker 2: zeker niet eetbaar. Nee, want welke. Die witte. Ja, ze
- 6:00Speaker 2: waren wel wit, inderdaad. Maar welke paddenstoelen zijn eetbaar? Champignonnen. Ja,
- 6:06Speaker 2: dat zijn de champignons. Dit waren geen champignonnen. Dus deze
- 6:10Speaker 2: moet je niet eten. Dus als je ooit een keer
- 6:11Speaker 2: in een bos een paddenstoel ziet staan.
- 6:14Speaker 2: Dat moet je nooit aankomen. En die moet je ook
- 6:17Speaker 2: nooit eten. Je mag er eigenlijk ook helemaal niet aankomen.
- 6:20Speaker 1: Nee, want die zijn giftig.
- 6:21Speaker 2: Ja, ze zijn giftig. En ze zijn heel goed voor
- 6:24Speaker 2: de natuur. Ze helpen de natuur om allemaal dingen op
- 6:26Speaker 2: te ruimen. Maar weet je wel. Daar wonen
- 6:28Speaker 1: kaboutertjes.
- 6:31Speaker 2: Daar wonen de kaboutertjes. Inderdaad.
- 6:33Speaker 1: Maar we hebben ook kabouters
- 6:34Speaker 2: voorzien. En daar gaan we het sowieso ook zo meteen
- 6:37Speaker 2: over hebben.
- 6:38Speaker 2: Wat kan jij vertellen over de kleuren van de blaadjes
- 6:42Speaker 1: Nou, eigenlijk een beetje gek. Maar het is toch eigenlijk zo.
- 6:48Speaker 1: Eerst zijn de blaadjes in de bomen nu nu nog
- 6:51Speaker 1: groen allemaal. Maar de blaadjes die er bijna uitvallen. Die
- 6:56Speaker 1: worden dan een beetje bruiner. Ja. Ja. En dan. En
- 7:00Speaker 1: dat betekent dat ze er bijna uitvloepsen.
- 7:03Speaker 2: Ja, die die vallen er dan inderdaad af. Maar ik
- 7:06Speaker 2: vind het vaak heel mooi.
- 7:08Speaker 2: Want je ziet namelijk allemaal verschillende kleuren. Dus je hebt
- 7:10Speaker 2: inderdaad de groene blaadjes. Ja,
- 7:11Speaker 1: en en de gele?
- 7:14Speaker 2: Ja, je hebt ook gele blaadjes. Rood? Ja. En dan
- 7:17Speaker 2: heb je soms hele donkerrode, maar ook soms heel licht rood. Ja.
- 7:21Speaker 2: En welke kleur heb je nog meer? Bruin. Ja. En
- 7:25Speaker 2: ik zie ook wel eens oranje. Echt? Ja.
- 7:28Speaker 1: heb dat nog
- 7:29Speaker 2: nooit gezien. Ja, een beetje donker oranje wel, dat wel.
- 7:32Speaker 2: Maar het zijn allemaal echte herfstkleuren. Die hebben we allemaal gezien.
- 7:35Speaker 2: En ik vind dat wel altijd heel erg mooi om
- 7:37Speaker 2: al die herfstkleuren dan zo te zien. Vind je niet? Ja.
- 7:40Speaker 2: Nou, we zeiden het al. We hebben heel veel dingen
- 7:42Speaker 2: gevonden in het bos. En daar kan je leuk mee knutselen.
- 7:45Speaker 2: Misschien maak je thuis wel een herfsttafel. Dat kan ook, hè?
- 7:48Speaker 2: Of op school een herfsttafel.
- 7:50Speaker 1: Dan kan je mooi. Als je op school een herfsttafel maakt.
- 7:55Speaker 1: Dan kan je mooi dingen van het bos meenemen. Ja.
- 7:59Speaker 1: Voor de
- 7:59Speaker 2: herfsttafel. Zeker weten.
- 8:01Speaker 2: En wij waren niet alleen op zoek naar spulletjes voor
- 8:05Speaker 2: te knutselen of voor de herfsttafel. Maar wij waren naar
- 8:08Speaker 2: iets anders ook op zoek. Myrthe in de bosch. Ja.
- 8:10Speaker 2: Waar gingen wij naar op zoek? Kabouters. Wij hadden een
- 8:14Speaker 2: kabouterpad in het bosch. En het was echt een superleuk kabouterpad. Ja,
- 8:19Speaker 2: want
- 8:19Speaker 1: mijn zusje zei Wouter Wouter Wouter. Ja,
- 8:22Speaker 2: je kleine zusje was ook mee. Linde.
- 8:24Speaker 2: En die uh. Die kan nog niet zo heel goed praten.
- 8:26Speaker 2: Maar wel een beetje.
- 8:27Speaker 1: Ja. Maar ze zei steeds Bouter Bouter Bouter. Ja.
- 8:31Speaker 2: Dus daar hebben we heel erg om gelachen. Inderdaad. Dus
- 8:35Speaker 2: zij zocht bouters en wij zochten kabouters. En. En dan
- 8:38Speaker 2: elke keer gingen we van kabouter naar kabouter lopen. En
- 8:42Speaker 2: dan zagen we elke keer weer een nieuwe kabouter. Ja.
- 8:44Speaker 1: En uiteindelijk gingen we van het
- 8:47Speaker 1: Weer naar het begin. Ja,
- 8:49Speaker 2: er liep een heel rondje. Ja, was wel raar eigenlijk,
- 8:53Speaker 2: vind ik. Waar kan je eigenlijk een kabouter aan herkennen?
- 8:57Speaker 1: Met een rode puntmuts. Ja. En die en zusjes onder
- 9:01Speaker 1: de paddenstoel.
- 9:03Speaker 2: Ja. En wat voor paddenstoel dan?
- 9:05Speaker 1: Ja, eigenlijk meestal een rood met witte.
- 9:09Speaker 2: Ja, vaak een pad.
- 9:10Speaker 2: is toen met rood met witte stippen. Maar die is
- 9:12Speaker 2: heel moeilijk te vinden. Weet jij nog dat we die
- 9:14Speaker 2: ooit een keer hebben gevonden? O ja. Weet je dat nog?
- 9:17Speaker 2: Het is al heel lang geleden. Op op
- 9:19Speaker 1: op vakantie. Ja, dat klopt. Op vakantie hadden we die
- 9:23Speaker 1: toen gevonden met Hanna Nelle.
- 9:25Speaker 2: Ja, met met onder andere Hanna, die het liedje in zingt.
- 9:29Speaker 2: Maar ook haar zusje Nelle waren we toen inderdaad in
- 9:32Speaker 2: het bos aan het fietsen.
- 9:34Speaker 2: En ineens zagen we een hele mooie paddenstoel. En die
- 9:38Speaker 2: was rood met witte stippen. En dat is echt alweer
- 9:40Speaker 2: een tijdje geleden. Dus ik ben. Ik vind het leuk
- 9:42Speaker 2: dat jij het ook nog weet. Want ik ik heb
- 9:43Speaker 2: ze niet zo heel vaak gezien. Echt mooie rode paddenstoelen
- 9:47Speaker 2: met witte stippen.
- 9:48Speaker 1: 2 of 3? Ja. Die stonden bij elkaar.
- 9:51Speaker 2: Ja. En toen zijn we nog even gaan zoeken naar kabouters,
- 9:54Speaker 2: maar toen konden we die niet vinden. Nee. Nee.
- 9:58Speaker 1: eigenlijk niet onder de witte.
- 10:00Speaker 2: Ja. Geen idee. Zouden we eens moeten vragen als we
- 10:02Speaker 2: er eentje tegenkomen.
- 10:04Speaker 1: Ja. Ja. En weet je wat ze vaak ook doen
- 10:06Speaker 1: op een paddenstoel. Nou wippen wippen wippen. Ik ken nog
- 10:10Speaker 1: een liedje over kabouters.
- 10:12Speaker 2: O, die ken ik ook.
- 10:29Speaker 1: de beentjes.
- 10:36Speaker 2: Jij zei een kabouter heeft meestal een rode puntmuts. Maar
- 10:39Speaker 2: volgens mij heeft een kabouter ook vaak nog iets anders.
- 10:41Speaker 2: Een paar. Ja.
- 10:43Speaker 1: Net als Sinterklaas. Ja.
- 10:45Speaker 2: Een paar. Ja. Eigenlijk lijkt Sinterklaas dan dus een klein
- 10:48Speaker 2: beetje op een kabouter. Want Sinterklaas heeft ook een rode muts.
- 10:52Speaker 2: Maar dat is geen puntmuts. Nee. Maar wat is dan
- 10:54Speaker 2: het grootste verschil?
- 10:55Speaker 1: Dat Sinterklaas een plus op zijn mijter
- 10:58Speaker 2: heeft. Ja, maar Sinterklaas is ook groot. En wat is
- 11:01Speaker 2: een kabouter? Heel. Heel klein.
- 11:05Speaker 2: Een kabouter is echt in.
- 11:07Speaker 1: Ja, die is echt zoiets.
- 11:09Speaker 2: En wat doen kabouters dan in het bos?
- 11:12Speaker 1: En een paddenstoel zoeken.
- 11:14Speaker 2: Ja. En een beetje dingen schoonmaken misschien.
- 11:18Speaker 1: O ja, anders is het een beetje rommelig. Dan gooien
- 11:21Speaker 1: mensen het op de grond. En dat is helemaal niet
- 11:24Speaker 1: goed voor de natuur. En dan. En dan gaan de
- 11:26Speaker 1: kabouters het lekker opruimen.
- 11:29Speaker 2: Nou, dat hopen we wel altijd dat de kabouters het opruimen.
- 11:31Speaker 2: Maar eigenlijk moet je nooit iets gooien in de natuur, hè? Nee. Nee,
- 11:34Speaker 1: dat. Dus je lekker voor.
- 11:36Speaker 2: Ja, precies.
- 11:37Speaker 1: Want anders moeten de al de kabouters het
- 11:40Speaker 2: weer opgagen. Ja, en zoveel kunnen ze niet opruimen. Dus
- 11:43Speaker 2: je kan het maar
- 11:43Speaker 2: beter zelf opruimen. Maar wel een goede tip, als je
- 11:47Speaker 2: een bos bij jou in de buurt hebt. Misschien moet
- 11:50Speaker 2: je even aan papa en mama vragen of er toevallig
- 11:53Speaker 2: ook een kabouterpad is. Want soms heb je een kabouterpad
- 11:56Speaker 2: en dat is superleuk om daar langs te lopen.
- 11:57Speaker 1: Ja, dan heb je allemaal van die houten kabouters. Ja.
- 12:01Speaker 1: Maar maar um en bij sommige kabouters als puntmuts hadden
- 12:07Speaker 1: ze een dennenappel.
- 12:10Speaker 2: Ja, we staan een dennenappel was inderdaad de puntmuts.
- 12:13Speaker 2: Myrthe. Jij zei het al Jij ging een egeltje bakken.
- 12:17Speaker 2: Weet je dat nog? Maar maar. Maar weet je dat
- 12:19Speaker 2: er nog meer lekkere dingen zijn die je met de
- 12:22Speaker 2: herfst goed kan eten? Nee. Nou, er is altijd een
- 12:27Speaker 2: heerlijke soep, vind ik, die je kan maken in de herfst.
- 12:30Speaker 2: En weet je dan welke soep dat is? Nee. Hij
- 12:33Speaker 2: is ook oranje. Pompoen? Ja, pompoen.
- 12:37Speaker 1: Dat is eigenlijk wel waar. Want in de herfst
- 12:40Speaker 1: je de
- 12:42Speaker 2: pompoenen. Ja. Dus dan is een pompoensoep is heel lekker
- 12:46Speaker 2: om te maken in de herfst. Eigenlijk
- 12:47Speaker 1: wel. En dan doen wij daar altijd een beetje creme
- 12:52Speaker 1: fraîche bij. Dat maakt het juist lekker. Nou, het
- 12:54Speaker 2: wordt ineens een kookprogramma. Bijna. Heel goed. Ja.
- 12:57Speaker 2: Dat maakt het extra lekker. Maar er is zien we
- 13:00Speaker 2: een beetje wit in ons. Maar er is nog iets
- 13:02Speaker 2: wat heel erg lekker is in de herfst.
- 13:04Speaker 1: Ik denk, maar ik weet het niet zeker. Champignon.
- 13:07Speaker 2: Sowieso de champignons ook. Maar er is eigenlijk nog iets.
- 13:11Speaker 2: Daar kan je heel lekker mee bakken. En in de
- 13:13Speaker 2: herfst zijn ze, denk ik het allerlekkerst. Ja. Je kan
- 13:16Speaker 2: er een lekkere
- 13:16Speaker 2: aard meebakken. Appels. De appels. Ja, de appels zijn heerlijk
- 13:21Speaker 2: in de herfst. Dus. Ik kan
- 13:22Speaker 1: ook een appelsoepje
- 13:24Speaker 2: maken. Een appelsoepje. Nou, daar heb ik nog nooit van gehoord.
- 13:27Speaker 2: Maar misschien kan het. Ik weet het niet. Ik weet
- 13:30Speaker 2: het ook niet. Maar een appeltaart is heerlijk in de herfst.
- 13:34Speaker 2: Want de appels zijn het lekkerst in herfst.
- 13:36Speaker 2: Myrthe. Ja. Ik denk dat het tijd is voor een spelletje. Ja.
- 13:41Speaker 2: En het spelletje van vandaag is. Ik denk aan iets
- 13:44Speaker 2: van de herfst. Ik denk aan iets van de herfst.
- 13:47Speaker 2: Ik heb allemaal dingen in mijn hoofd en die ga
- 13:49Speaker 2: ik omschrijven voor je. En als jij weet wat het is,
- 13:52Speaker 2: dan kan je het raden. Ben je er klaar voor?
- 13:55Speaker 2: Ik denk aan iets. Ik denk aan iets. En het
- 13:57Speaker 2: valt van de bomen. En in de herfst is het
- 14:01Speaker 2: meestal rood, geel of bruin. En als je over mij
- 14:06Speaker 2: heen loopt, dan ritsel ik.
- 14:09Speaker 2: Ra ra ra. Wat is het?
- 14:12Speaker 1: Een blaadje.
- 14:14Speaker 2: Heel goed. Het zijn de bladeren van de bomen inderdaad.
- 14:17Speaker 2: Ik ben rond. Ik ben bruin.
- 14:22Speaker 2: En soms heb ik stekeltjes om me heen, maar je
- 14:25Speaker 2: kan mij heel goed verzamelen in het bos.
- 14:28Speaker 1: Cagnes.
- 14:30Speaker 2: Ja, heel goed. Misschien heb jij thuis ook goed geraden.
- 14:33Speaker 2: Ik ben heel klein.
- 14:37Speaker 2: Ik heb een hoedje op mijn hoofd. En de eekhoorntjes
- 14:41Speaker 2: vinden mij heel lekker. En ik val uit de bomen. Eikhoedje. Ja.
- 14:46Speaker 2: Heel goed. Wat dacht je eerst toen je het hoorde
- 14:48Speaker 2: van het hoedje.
- 14:50Speaker 2: eikel. Oh. Je dacht wel gelijk aan een eikeltje. Oh,
- 14:53Speaker 2: je dacht niet aan een kabouter. Ik dacht Misschien is
- 14:55Speaker 2: dit een klein beetje een instinkertje dat je denkt aan
- 14:57Speaker 2: een kabouter. Nee, heel goed geraden. Het is inderdaad een eikel. Oké,
- 15:02Speaker 2: ik ben geel of oranje.
- 15:04Speaker 2: Ik ben groot en rond. Soms maken mensen een gezichtje
- 15:11Speaker 2: van mij. En je ziet mij veel met Halloween. En
- 15:13Speaker 2: de soep is lekker. Pompoen. Ja, heel goed. Het is pompoen. Inderdaad.
- 15:18Speaker 2: Daar kan je heerlijke soep van maken. Oké. Mag ik
- 15:21Speaker 2: er nu eentje
- 15:22Speaker 1: doen? Zeker. Ik heb witte stippen en een kaboutertje woont
- 15:27Speaker 1: onder mij. En ik ben rood met witte stippen.
- 15:32Speaker 2: Oe, dan denk ik een paddenstoel. Ja. Oké, heb ik
- 15:37Speaker 2: er nog eentje. Myrthe heeft ze nu in het paars.
- 15:40Speaker 2: Je zusje heeft ze in het rood. En als je
- 15:44Speaker 2: ze aan je voeten trekt, dan kan je heel hard
- 15:46Speaker 2: in de plassen stampen. Ra rara. Waar denk ik aan?
- 15:51Speaker 1: Laarzen.
- 15:52Speaker 2: Ja, heel goed aan de laarzen. Inderdaad.
- 15:55Speaker 2: Oké. Nou, dan heb ik er nog eentje. Ik ben
- 15:58Speaker 2: klein en heb een puntmuts op. En Myrthe heeft mij
- 16:03Speaker 2: wel 10 keer gevonden in het bos.
- 16:05Speaker 1: Misschien wel 1000 keer.
- 16:07Speaker 2: Het zou ook kunnen. Raar, raar, raar. Waar ben ik? Wouter. Ja,
- 16:11Speaker 1: heel goed, inderdaad. Dan zei ik ook misschien
- 16:14Speaker 2: 1000 keer. Ja, inderdaad. We hebben een kabouterpad gedaan. Dus
- 16:18Speaker 2: daar vond je alle kabouters. Helemaal goed gedaan. Ik hoop
- 16:21Speaker 2: dat als jij zit te luisteren, dat je het ook
- 16:22Speaker 2: goed hebt gedaan.
- 16:24Speaker 1: Waar is de post? Waar is de post? Waar is
- 16:29Speaker 1: de post? Waar is de post? Heel
- 16:32Speaker 2: goed, Myrthe. Ik heb uh de post voor je verzameld.
- 16:35Speaker 2: En er zitten weer wat leuke berichtjes tussen. We hebben
- 16:38Speaker 2: weer zakken vol gekregen via de mail. Ik heb er
- 16:41Speaker 2: een paar leuke uitgekozen. De eerste die is van Wout
- 16:45Speaker 2: en Wout. Die zegt Dag Myrthe en papa. Ik ben
- 16:48Speaker 2: Wout en ik heb een ideetje voor jullie podcast.
- 16:52Speaker 2: Ik ben 4 jaar en ik woon in België. Zou
- 16:55Speaker 2: het misschien mogelijk zijn om samen een podcast te maken?
- 16:58Speaker 2: Dan kunnen we België en Nederland met elkaar vergelijken. Groetjes, Wout. Ja. Ja,
- 17:04Speaker 2: dat is een leuk idee, hè. Het is wel. Het
- 17:06Speaker 2: is wel een een afstand die we dan eventjes. Dus
- 17:08Speaker 2: dan moeten we even goed gaan denken hoe we dat
- 17:10Speaker 2: zouden kunnen doen.
- 17:11Speaker 2: Maar ik vind het idee vind ik wel
- 17:12Speaker 1: heel leuk. Wij gaan naar België en Wout gaat naar Nederland. Oh,
- 17:21Speaker 2: en dat we dan kunnen vergelijken.
- 17:23Speaker 2: Ja, of we moeten gewoon bellen met Wout. O ja? Ja,
- 17:26Speaker 2: dat zou ook nog kunnen. Nou, dan kreeg ik nog
- 17:28Speaker 2: een berichtje van Misha. Hoi Myrthe naar papa, ik ben
- 17:32Speaker 2: Misha en ik vind jullie podcast heel erg leuk. Die
- 17:34Speaker 2: van het circus vond ik het leukst. Gelukkig zijn er
- 17:37Speaker 2: geen leeuwen meer in het circus. Ik vond het wel
- 17:40Speaker 2: heel knap dat de motoren over de het publiek en
- 17:43Speaker 2: de kooi gingen. Verder stuurt hij nog dat hij heel
- 17:46Speaker 2: erg fan is van de politie. En vooral met dan
- 17:50Speaker 2: zo stoer zijn de politieagenten.
- 17:52Speaker 2: vinden wij ook wel, he.
- 17:53Speaker 1: Mijn tante werkt ook bij de politie. Ja,
- 17:57Speaker 2: het is, nou ja, wie weet, dan doen we ook
- 18:00Speaker 2: nog een keer iets over polities dan. Dan hebben we
- 18:03Speaker 2: een berichtje van Joris. En Joris zegt: "Hoi Myrthe en
- 18:07Speaker 2: haar papa, ik ben Joris. Ik ben 5 jaar en
- 18:10Speaker 2: ik luister
- 18:10Speaker 2: heel veel naar de kleuterpodcast. Ik vind alle afleveringen leuk.
- 18:14Speaker 2: Samen met mijn mama heb ik een eigen podcast gemaakt
- 18:17Speaker 2: over stoplichten. Hoe hoe, Hoe kan dat? Nou, daar ben
- 18:22Speaker 2: ik ook benieuwd naar. En ik ben ook wel benieuwd
- 18:24Speaker 2: hoe die dan klinkt, Joris. Als wij die mogen luisteren,
- 18:27Speaker 2: dan zouden we dat wel heel leuk vinden.
- 18:28Speaker 1: Ja, dan. Dan kan jij onze podcast luisteren. En
- 18:32Speaker 2: wij die van jou?
- 18:33Speaker 1: Ja, heel leuk. 2 podcasts om te luisteren.
- 18:36Speaker 2: Ja, zeker.
- 18:38Speaker 2: En dan kreeg ik nog een berichtje van Daniel. En
- 18:40Speaker 2: Daniel stuurt Hoi Myrthe, ik ben vandaag gestart met mijn
- 18:43Speaker 2: eerste zwemles. En ik vond het superleuk. Ging het goed
- 18:46Speaker 2: bij jou op zwemles, Myrthe. Ik kan niet wachten tot
- 18:49Speaker 2: het Sinterklaas is. Groetjes, Daniel. Nou, daar kunnen wij natuurlijk
- 18:52Speaker 2: ook niet op wachten. Maar goed, we moeten wat geduld hebben.
- 18:55Speaker 2: Ging het goed bij jou op zwemles, Myrthe?
- 18:57Speaker 1: Ja, heel leuk. Vandaag moest ik weer naar
- 19:00Speaker 2: zwemles. Ja, dus dat is heel toevallig dat die vraag komt. Kien.
- 19:05Speaker 2: Huh. Maar moet je dan op zwemles leren om van
- 19:08Speaker 2: een glijbaan af te gaan?
- 19:09Speaker 1: Nee, maar dat, dat is juist leuk. Want um dat
- 19:13Speaker 1: leren we niet, want dat zijn gewoon spelletjes.
- 19:16Speaker 2: O, dan de volgende vraag. Die kwam van Julian. En
- 19:20Speaker 2: Julian zegt Hee, Myrthe en papa, ik ben Julian. En
- 19:23Speaker 2: ik ga elke avond voordat ik ga slapen naar je
- 19:25Speaker 2: podcast luisteren. Dat is een routine van mij geworden. Ik
- 19:29Speaker 2: wil zo dat. Ja, een routine, dat is een goede vraag.
- 19:31Speaker 2: Een routine is iets dat je elke dag doet. Als
- 19:33Speaker 2: je iets elke dag doet,
- 19:34Speaker 2: dan is dat een routine. Bijvoorbeeld ontbijten. Ja, ontbijt elke dag.
- 19:38Speaker 2: Dat is een routine, doe je altijd.
- 19:41Speaker 2: Of bij
- 19:41Speaker 1: mij is
- 19:44Speaker 1: Op school is een
- 19:46Speaker 2: routine? Ja, soms luistert hij zelfs wel twee keer per
- 19:50Speaker 2: dag naar de podcast. Dat vindt hij hartstikke leuk. Nou,
- 19:52Speaker 2: dank je wel, Julian, voor je berichtje. Wat leuk. Dan
- 19:55Speaker 2: krijg ik nog een berichtje van Figo. Figo die zegt
- 19:59Speaker 2: Ik vind de podcast heel erg leuk. Ik kan niet
- 20:01Speaker 2: kiezen welke ik het leukst vind. Maar bij de sportaflevering
- 20:05Speaker 2: moet ik het hardst lachen als jullie een wedstrijdje gaan rennen.
- 20:08Speaker 1: Ja, dat is
- 20:09Speaker 2: ook heel grappig. Ja, die vond jij ook het leukste eigenlijk. Ja.
- 20:12Speaker 2: Als jij die.
- 20:13Speaker 1: Want eigenlijk
- 20:14Speaker 1: speelde ik een beetje vals.
- 20:16Speaker 2: Ja, maar elke keer als je die jou tegen. Ja, klopt.
- 20:19Speaker 2: En elke keer als je die terugluistert, die podcast, dan
- 20:22Speaker 2: hoor ik jou heel hard lachen. Ja, ja. En jou ook?
- 20:26Speaker 1: Ja, mij ook. Ja. Jo, jo.
- 20:31Speaker 2: Dan Myrthe kreeg ik nog een berichtje van Lucas en Jente.
- 20:36Speaker 2: En nou hebben we het natuurlijk gehad over luisteraars uit België.
- 20:39Speaker 2: Maar Lucas en Jente, die luisteren ook van ver. Want
- 20:42Speaker 2: die sturen Hoi Myrthe en je papa. Wij luisteren graag
- 20:45Speaker 2: naar jullie vanuit Zweden. Het is leuk om naar jullie
- 20:50Speaker 2: te luisteren. En we kijken elke week weer uit naar
- 20:52Speaker 2: een nieuwe aflevering. Groetjes van Lucas en Jente.
- 20:54Speaker 1: Ja, maar um welke taal spreken ze eigenlijk in Zweden?
- 20:59Speaker 2: In Zweden spreken ze Zweeds.
- 21:01Speaker 2: En weet je hoe dat klinkt? Nee. Nee, ik ook niet.
- 21:04Speaker 2: Ik spreek geen Zweeds. Maar weet je wat ik wel weet? Nee.
- 21:07Speaker 2: Ik weet wel dat ze in Zweden lekker eten hebben.
- 21:11Speaker 1: En wat is typisch Zweeds?
- 21:13Speaker 2: Uh, Zweedse balletjes, gehakte balletjes. Uh AB is muziek is
- 21:19Speaker 2: typisch Zweeds. Spotify, waar onze podcast ook op staat, komt
- 21:23Speaker 2: ook uit Zweden, volgens mij.
- 21:25Speaker 2: um En um even denken. Wat is nog meer typisch Zweeds?
- 21:30Speaker 2: De IKEA. Dat is ook typisch Zweeds.
- 21:32Speaker 2: Ja, maar ik denk dat het niet geloven. Ja, maar
- 21:36Speaker 2: ik denk dat er nog heel veel meer dingen uit
- 21:37Speaker 2: Zweden komen. En dat weten Lucas en Jente vast en zeker.
- 21:41Speaker 2: En dan hebben we dan hebben we het over ver
- 21:43Speaker 2: weg gehad. Maar we hebben hier een berichtje van iemand
- 21:45Speaker 2: die denkt dat wij heel dichtbij wonen. Ik krijg een
- 21:48Speaker 2: berichtje van Julian, Julian schrijft We kwamen erachter dat jullie
- 21:52Speaker 2: waarschijnlijk ook bij ons in de buurt wonen, gezien de
- 21:55Speaker 2: activiteiten die jullie doen. Dus alle dingen die wij doen.
- 21:59Speaker 2: Dat vind ik geweldig. En ik denk ook dat ik
- 22:02Speaker 2: jullie zomaar zou kunnen bellen. Maar ik denk wel dat
- 22:05Speaker 2: ik denk wel dat Julian een beetje een speurneus is
- 22:07Speaker 2: dat hij ons heeft gevonden. Maar dan luistert hij extra goed.
- 22:09Speaker 2: Dat is leuk.
- 22:10Speaker 1: Misschien komen we elkaar wel tegen. Ja,
- 22:13Speaker 2: dat zou zomaar kunnen dat we elkaar tegenkomen. Als we
- 22:15Speaker 2: in de buurt wonen, komen we elkaar zomaar tegen. Myrthe.
- 22:18Speaker 2: We zijn aan het einde gekomen van de kleuterpodcast. Maar
- 22:21Speaker 2: niet voordat we hebben besloten waar we het volgende week
- 22:23Speaker 2: over gaan hebben.
- 22:25Speaker 2: Waar gaan we het volgende week over hebben?
- 22:26Speaker 1: Broertjes en zusjes.
- 22:29Speaker 2: O, dat is leuk. Broertjes en zusjes. Ik heb
- 22:32Speaker 1: zelfs een zelf een
- 22:34Speaker 2: zusje. Hé, en ik heb een broertje. Hij hebt
- 22:37Speaker 1: zelf een broertje en een grote broer.
- 22:40Speaker 2: Daar gaan we het volgende week over hebben. Myrthe. Dank
- 22:42Speaker 2: je wel weer voor de podcast. Alsjeblieft. Tot volgende week.