Latest / Learn Dutch with Fexingo / Dutch Household Items - Lamp, Sleutel, Boek
Transcript
- Lucas: Hallo Luna, leuk je weer te zien! Luna: Hallo Lucas! Ja, ik ben er klaar voor. Wat leren we vandaag? Lucas: Vandaag gaan we het hebben over spullen in huis. Household items. Dingen die je elke dag gebruikt. Luna: Oh, leuk! Zoals de tafel en de stoel? Die hadden we al in een eerdere aflevering. Lucas: Precies, die ken je al. Vandaag doen we drie nieuwe: de lamp, de sleutel en het boek. Herhaal ze even na mij: de lamp. Luna: De lamp. Lucas: Goed zo. 'De lamp' betekent 'the lamp'. Het is een 'de'-woord, dus we zeggen 'de lamp'. Luna: De lamp. Ik heb thuis een lamp op mijn bureau. Lucas: Mooi. En nu de tweede: de sleutel. Luna: De sleutel. Dat is 'the key', toch? Lucas: Ja, precies. De sleutel. Ik heb mijn sleutel nodig om de deur open te doen. Luna: Ah, handig. De sleutel. Lucas: En de derde: het boek. Luna: Het boek. Dat is 'the book'. Het is een 'het'-woord, dus 'het boek'. Lucas: Helemaal goed. Het boek. Ik lees een boek voor het slapengaan. Luna: Ooh, wat voor boek? Lucas: Een spannende roman. Maar goed, laten we een vraag maken: 'Waar is de lamp?' Dat betekent 'Where is the lamp?' Zeg het maar. Luna: Waar is de lamp? Lucas: Klinkt goed! Waar is de lamp? Stel je voor dat je de lamp zoekt in de kamer. Vraag het nog een keer. Luna: Waar is de lamp? Lucas: Perfect. En nu een zin met boek: 'Ik heb een boek.' Dat betekent 'I have a book.' Zeg het. Luna: Ik heb een boek. Lucas: Ja! Ik heb een boek. En met sleutel: 'Ik heb een sleutel.' Kun je dat zeggen? Luna: Ik heb een sleutel. Lucas: Mooi. Laten we ze combineren. Bijvoorbeeld: 'Waar is de lamp? Ik heb een boek.' Of 'Waar is de sleutel?' Zeg jij het maar. Luna: Waar is de lamp? Ik heb een boek. Lucas: Goed zo! En nu de sleutel: 'Waar is de sleutel?' Luna: Waar is de sleutel? Lucas: Precies. En het antwoord kan zijn: 'De lamp is op tafel.' Of 'De sleutel is in de tas.' Maar dat is voor een andere keer. Luna: Ah, oké. Dus vandaag: de lamp, de sleutel, het boek. Waar is de lamp? Ik heb een boek. Lucas: Ja, dat is het. Oefen ze maar. Herhaal: de lamp, de sleutel, het boek. Luna: De lamp, de sleutel, het boek. Lucas: En de zinnen: Waar is de lamp? Ik heb een boek. En vergeet niet: 'Ik heb een sleutel'. Luna: Waar is de lamp? Ik heb een boek. Ik heb een sleutel. Lucas: Heel goed, Luna! Je doet het fantastisch. Luna: Dank je! Dit is echt leuk. Ik ga vanavond oefenen met mijn lamp, sleutel en boek. Lucas: Dat is een goed idee. En bedankt voor het luisteren naar Fexingo. Oefen deze woorden en zinnen, en tot de volgende keer! Luna: Doei doei! Lucas: Tot ziens!