Latest / Learn Dutch with Fexingo / Dutch Verb 'Willen' – Want Basics
Transcript
- Lucas: Luna, klaar voor een nieuwe aflevering? Luna: Ja, ik ben er klaar voor! Wat leren we vandaag? Lucas: Vandaag gaan we het hebben over het werkwoord 'willen' – dat betekent 'to want'. Luna: Oh, handig! Ik wil vaak dingen. Lucas: Precies! En als Fexingo jou helpt met Nederlands, dan is dat geweldig. Als het je vandaag een kopje koffie waard was, kun je ons steunen op buy me a coffee dot com slash fexingo. Luna: Ja, elke bijdrage helpt ons om deze show gratis te houden. Lucas: Oké, terug naar de les. Het werkwoord 'willen' is onregelmatig. Ik wil, jij wilt, hij wil, wij willen. Luna: Dus ik kan zeggen: ik wil koffie? Lucas: Perfect! 'Ik wil koffie.' Betekent 'I want coffee.' Zeg het nog een keer. Luna: Ik wil koffie. Lucas: Mooi. En als je vraagt aan iemand: 'Wat wil je?' – dat is informeel, voor vrienden. Luna: Wat wil je? Klinkt makkelijk. Lucas: Ja. En formeel: 'Wat wilt u?' – voor een vreemde of iemand ouder. Luna: Wat wilt u? Dat klinkt beleefd. Lucas: Juist. En als je iets wilt bestellen, voeg je 'graag' toe: 'Ik wil graag koffie.' Luna: Ik wil graag koffie. Dat klinkt vriendelijker. Lucas: Exact. Laten we een scenario doen. Stel, je bent in een café. Wat zeg je? Luna: Ik wil graag koffie. Lucas: Goed. En de barista vraagt: 'Wat wilt u?' Luna: Ik wil graag koffie. Lucas: Perfect. Nu een andere situatie. Je bent bij de bakker. Wat wil je? Luna: Ik wil een brood. Lucas: Ja, maar we hebben 'graag' geleerd. Probeer het met 'graag'. Luna: Ik wil graag een brood. Lucas: Veel beter. En de bakker vraagt: 'Wat wilt u?' Luna: Ik wil graag een brood. Lucas: Prima. Laten we nu oefenen met vragen. Luna, wat wil jij? Luna: Ik wil koffie. En jij? Lucas: Ik wil ook koffie. Oké, herhaal even: 'Ik wil koffie.' Luna: Ik wil koffie. Lucas: 'Wat wil je?' Luna: Wat wil je? Lucas: 'Wat wilt u?' Luna: Wat wilt u? Lucas: En 'Ik wil graag koffie.' Luna: Ik wil graag koffie. Lucas: Geweldig. Nu een klein gesprek. Ik begin: 'Wat wil je drinken?' Luna: Ik wil graag koffie. Lucas: En ik zeg: 'Ik wil ook koffie.' Luna: Oh, we zijn het eens! Lucas: Ja. Onthoud: 'willen' is een belangrijk werkwoord. Oefen het vaak. Luna: Ik zal het oefenen. Dank je, Lucas! Lucas: Graag gedaan. En bedankt voor het luisteren. Tot de volgende keer!