Latest / Learn Dutch with Fexingo / Dutch Possessives - Mijn, Jouw, Zijn
Transcript
- Lucas: Hey Luna, klaar voor een nieuwe aflevering? Luna: Zeker! Ik ben er klaar voor. Wat gaan we vandaag leren? Lucas: Vandaag gaan we het hebben over bezittelijke voornaamwoorden. Possessive adjectives. Ze zijn heel handig om te zeggen van wie iets is. Luna: Ooh, zoals 'mijn', 'jouw'? Ik hoor die vaak in gesprekken. Lucas: Precies! Laten we beginnen met 'mijn'. Dat betekent 'my'. Zeg het maar eens: mijn. Luna: Mijn. Lucas: Goed zo! Nu een zin: Dit is mijn boek. Dat betekent 'This is my book'. Luna: Dit is mijn boek. Mijn boek. Lucas: Perfect. Nu 'jouw' – dat is 'your'. Zeg maar: jouw. Luna: Jouw. Lucas: En in een zin: Is dat jouw pen? – 'Is that your pen?'. Luna: Is dat jouw pen? Jouw pen. Lucas: En als laatste: 'zijn' – dat is 'his'. Zeg maar: zijn. Luna: Zijn. Lucas: Mooi. Een zin: Dat is zijn tas. – 'That is his bag'. Luna: Dat is zijn tas. Zijn tas. Lucas: We hebben nu drie woorden: mijn, jouw, zijn. Laten we ze oefenen. Ik zeg een zin in het Nederlands en jij vertaalt hem. Luna: Oké, daag me uit! Lucas: Dit is mijn boek. Luna: This is my book. Lucas: Is dat jouw pen? Luna: Is that your pen? Lucas: Dat is zijn tas. Luna: That is his bag. Lucas: En nu andersom: ik zeg het Engels en jij zegt het Nederlands. Luna: Let's go! Lucas: This is my book. Luna: Dit is mijn boek. Lucas: Is that your pen? Luna: Is dat jouw pen? Lucas: That is his bag. Luna: Dat is zijn tas. Lucas: Geweldig! En nu een klein gesprekje. Stel je voor, we zijn op een markt. Jij hebt een tas en ik vraag: 'Is dat jouw tas?' Wat zeg je? Luna: Uhh... Ja, dat is mijn tas? Lucas: Ja, precies! En dan wijs ik naar een boek en zeg: 'Dat is zijn boek.' En jij zegt...? Luna: Oh, dat is het boek van de man. Zijn boek. Lucas: Yes, goed! Je begint het te snappen. Luna: Het is best makkelijk eigenlijk. Mijn, jouw, zijn. Het klinkt een beetje als Engels. Lucas: Ja, het is vergelijkbaar. En het is heel handig in alledaagse situaties. Luna: Zeker. Als ik zeg 'Dit is mijn kopje koffie', dan weet iedereen dat het van mij is. Lucas: Precies. En als iemand vraagt 'Is dat jouw telefoon?', dan weet je wat je moet antwoorden. Luna: Ja, 'Nee, dat is zijn telefoon' of zoiets. Lucas: Perfect. Je hebt het onder de knie. Luna: Dank je, Lucas. Dit was echt nuttig. Lucas: Graag gedaan. En weet je, als je deze woorden eenmaal in je hoofd hebt, kun je al veel meer zeggen. Luna: Ja, ik voel me al een beetje zelfverzekerder. Lucas: Mooi! Laten we nog een keer de zinnen herhalen. Luna: Goed idee. Dit is mijn boek. Lucas: Is dat jouw pen? Luna: Dat is zijn tas. Lucas: En nu alle drie: mijn, jouw, zijn. Luna: Mijn, jouw, zijn. Klinkt goed. Lucas: Als Fexingo je helpt om vooruitgang te boeken met Nederlands, dan is het misschien een kleine moeite om ons te steunen. Een kopje koffie voor ons is al genoeg via buy me a coffee dot com slash fexingo. Het helpt ons om de show gratis te houden. Luna: Ja, elke bijdrage wordt gewaardeerd. Maar goed, terug naar de les. Lucas: Oké, stel je voor: je bent op een feestje en iemand vraagt 'Is dit jouw jas?' Wat zeg je? Luna: Ja, dat is mijn jas. Of: Nee, dat is zijn jas. Lucas: Precies. En als je niet weet van wie het is, kun je zeggen: 'Ik weet het niet, het is niet mijn jas.' Luna: Ah, goed: 'Het is niet mijn jas.' Dat is handig. Lucas: Ja, en dan kun je vragen: 'Is het jouw jas?'. Luna: Is het jouw jas? Ja, dat klinkt logisch. Lucas: En de persoon antwoordt: 'Nee, het is zijn jas.' Luna: Dus je kunt de bezittelijke woorden blijven gebruiken in een gesprek. Lucas: Precies. Laten we nog een laatste oefening doen. Ik geef een situatie, jij reageert met een zin met mijn, jouw of zijn. Situatie: je vindt een telefoon op tafel. Luna: Is dit jouw telefoon? Lucas: Goed! En als ik zeg: 'Nee, dat is niet mijn telefoon.' Wat zeg je dan? Luna: Oh, dan is het zijn telefoon? Of haar telefoon? Lucas: Ja, maar vandaag hebben we alleen 'zijn' geleerd. Dus: 'Dan is het zijn telefoon.' Luna: Dan is het zijn telefoon. Lucas: Perfect. Je hebt het echt goed gedaan vandaag, Luna. Luna: Dank je! Ik ga deze woorden de hele dag gebruiken. Lucas: Dat is het beste om te onthouden. Oefen ze in het echt. Luna: Zal ik doen. Tot de volgende keer! Lucas: Tot ziens, en blijf oefenen!